Bij instabiliteit van de schouder is sprake van een overbewegelijkheid van het schoudergewricht. De schouder kan dan bijna of helemaal uit de kom gaan.
Het schoudergewricht bestaat uit een kop en een kom. De kop is het ronde uiteinde van de bovenarm. De kom is een uitsparing in het schouderblad, waar de kop in beweegt. Rondom de kop en de kom liggen een labrum met gewrichtskapsel en spieren. Het labrum is een bindweefsel rand die zorgt voor verdieping van de kom. Bij instabiliteit laat het gewrichtskapsel teveel beweging toe doordat het te lang is geworden om voldoende stevigheid te geven aan het gewricht. Ook kan het labrum los van de kom liggen. Vaak is het mogelijk deze overbeweeglijkheid op te vangen met de spieren rondom het schoudergewricht, wanneer deze in goede conditie zijn.

Instabiliteit kan ontstaan doordat de schouder bij een ongeluk uit de kom is gegaan en het kapsel rondom het schoudergewricht is uitgerekt of ingescheurd. Ook kan het labrum losgescheurd zijn van de kom. Het kapsel kan ook langer worden doordat het gaandeweg wordt opgerekt door herhaaldelijk overstrekken van het kapsel. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij sommige bovenhandse sporten, zoals volleybal en tennis.

Bij schouderinstabiliteit kan de schouder pijnlijk zijn. Deze pijn is vaak aanwezig tijdens activiteiten, waarbij boven het hoofd gewerkt wordt. Daarbij kunnen door de abnormale beweging van de schouder de slijmbeurs of spierpezen inklemmen en pijnlijk worden. Bovendien kunnen de spieren rondom het schouderblad overbelast raken.
Indien nodig, krijgt u een injectie in het gewricht (en soms ook in de slijmbeurs) met een snelwerkende pijnstiller (Marcaine 0.5%) en een ontstekingsremmer (Kenacort-A40). De pijnstiller maakt het mogelijk uw schouder goed te kunnen onderzoeken.
De ontstekingsremmer vermindert de irritatie in het gewricht en werkt op langere termijn. Er bestaat een mogelijkheid dat de pijn na de injectie eerst toeneemt. Na 3 à 4 dagen moet de pijn langzaam minder worden. U hoeft zich hier geen zorgen over te maken.
Nadat de diagnose is gesteld, bepaalt de orthopedisch chirurg in overleg met u en de fysiotherapeut, de meest effectieve behandeling.
Met fysiotherapie kunnen de spieren rondom de schouder en het schouderblad getraind worden, waardoor de spieren beter in staat zijn de overbeweeglijkheid van het schoudergewricht op te vangen. De klachten kunnen hiermee in sommige gevallen geheel overgaan.
Indien de klachten niet afnemen, bekijkt de orthopedisch chirurg of er operatieve mogelijkheden zijn.
Tijdens de operatie wordt de lengte van het gewrichtskapsel rondom het schoudergewricht gecorrigeerd. Het kapsel en/of het labrum worden daarbij met ‘botankers' en hechtingen op de juiste lengte vastgemaakt. De operatie gebeurt bijna altijd via een kijkoperatie, waarbij via kleine steekgaatjes in het gewricht met kleine instrumenten geopereerd wordt. Indien nodig, wordt er een grotere opening gemaakt. De wondjes worden gehecht met hechtingen, deze worden bij de controleafspraak weer verwijderd. Meestal kunt u dezelfde of de volgende dag weer naar huis.
Voordat u geopereerd wordt, is het belangrijk dat de schouder en de bewegingen van het schouderblad goed getraind zijn. Hierdoor heeft u meer kans op een goed resultaat van de operatie.

Correctie lengte gewrichtskapsel
Na de operatie krijgt u een mitella, om de schouder de kans te geven te genezen. Twee dagen na de operatie mag u weer douchen, mits de wond droog is. Er moet daarna wel weer een droog verband of pleister op de wond worden aangebracht.
De eerste tijd na de operatie mag u niet:
• Fietsen, bromfiets- en autorijden
• Sporten
• Zwaar huishoudelijk werk doen, zoals stofzuigen of ramen wassen
• Tillen
• Andere belastende activiteiten verrichten, waarbij de arm gebruikt wordt
Na de operatie zijn er verschillende herstelfasen. Gedurende de eerste 3 weken na de operatie is het belangrijk dat het kapsel goed vastgroeit. U mag de arm daarom niet zelf optillen. Eén week na de operatie mag u starten met oefenen bij de fysiotherapeut. Hierbij mag u de arm niet zelf optillen, maar doet de fysiotherapeut dat voor u. Als deze bewegingen pijnvrij kunnen worden uitgevoerd, mag u de bewegingen zelf gaan uitvoeren en langzaam de kracht weer opbouwen.
Het is belangrijk dat u alleen beweegt in het pijnvrije bewegingsgebied. U mag de beweging niet forceren; het mag geen pijn doen. U mag het optillen van de arm naar voren niet oefenen en zeker niet met een katrol de arm omhoog trekken of tegen de muur oplopen met de handen. Dit vergroot de kans op irritatie van het schouderkapsel, waardoor het kapsel kan verkleven.
Vier tot zes maanden na de operatie hebben de meeste patiënten weer hun normale beweeglijkheid en kracht terug.
De kans op complicaties bij de operatie is klein. Tijdens de operatie wordt steriel gewerkt, maar er blijft een geringe kans op infectie. De operatie geeft een risico op verstijving van het kapsel. Dit vermindert door fysiotherapie na de operatie.
Wanneer het kapsel toch verstijft na de operatie, duurt het herstel en revalidatietraject langer. Het kapsel moet dan worden opgerekt door de fysiotherapeut. Wanneer dit niet lukt, kan het kapsel met een tweede operatie verruimd worden.
Indien u koorts krijgt, de wondjes gaan lekken of als de hele schouder dikker, roder of pijnlijker wordt, neem dan contact met ons op.


