Wat is een gastroscopie?
Bij een gastroscopie bekijkt de arts de binnenkant van de slokdarm, de maag en het eerste deel van de twaalfvingerige darm. Dit wordt gedaan met een flexibele slang - de gastroscoop.
In sommige gevallen is een verdoving, ook wel 'roesje' genoemd, nodig.
Hoe verloopt dit onderzoek?
De gastroscoop die via de keel van de patiënt de slokdarm ingebracht wordt, is soepel en bestuurbaar. Om het instrument te beschermen plaatst een verpleegkundige een ring tussen de kaken van de cliënt. Door deze ring gaat de gastroscoop de keel in. Doordat de patiënt de flexibele slang als het ware inslikt, komt deze gemakkelijk in de slokdarm terecht. Vanaf dit punt bestuurt de arts de gastroscoop verder. Door via de gastroscoop lucht in te blazen, ontplooien de slokdarm, maag en twaalfvingerige darm zich. Hierdoor zijn ze beter te bekijken. Een minder fijn gevolg van het inblazen van lucht is, dat de patiënt last kan krijgen van opboeren.
Wanneer nodig neemt de arts tijdens de gastroscopie stukjes weefsel weg. Naderhand worden deze in het laboratorium onder de microscoop onderzocht. Van het nemen van deze monsters merkt de cliënt meestal niets.
Voorbereiding
Nadat de cliënt zich op de afgesproken tijd bij de endoscopieafdeling meldt, krijgt hij/zij in de onderzoekskamer een drankje te drinken dat eventuele schuimvorming in de maag tijdens het onderzoek helpt voorkomen. Losse gebitsdelen moeten worden uitgedaan. Wanneer iemand last heeft van een kokhalsreflex kan, met een spray (xylocaine) de keel verdoofd worden. Hierdoor wordt deze reflex zoveel mogelijk tegengegaan.
In bijzondere omstandigheden kan de patiënt een kalmeringsmiddel toegediend krijgen. Hiervoor krijgt hij/zij een infuusnaaldje in de arm. Door middel van een knijper op de vinger van de cliënt controleert de arts gedurende het hele onderzoek de hartslag en ademhaling. Na afloop van het onderzoek moet de patiënt in dit geval nog 1 á 2 uur uitslapen. De dag van het onderzoek is deelname aan het verkeer sterk af te raden. Het is daarom noodzakelijk iemand ter begeleiding mee te nemen.
Een gastroscopie kan alleen goed uitgevoerd worden, wanneer de slokdarm en maag leeg zijn. Vanaf 12 uur 's nachts mag de cliënt daarom niets meer eten of drinken. Wanneer het onderzoek in de middag plaatsvindt, kan de patiënt 's morgens een licht ontbijt gebruiken. Onder een licht ontbijt wordt verstaan: 1 beschuit en 1 kop thee. Dit moet minimaal zes uur voor de afgesproken aanvangstijd van het onderzoek genuttigd zijn.
Mogelijke risico's en complicaties
Hoewel een gastroscopie over het algemeen een veilig onderzoek is, zijn aan het ondergaan ervan enkele risico's verbonden. Wanneer de cliënt een kalmeringsmiddel gebruikt, neemt de kans op ademhalingsproblemen en/of stoornissen in de hartfunctie toe.
Wanneer er nog voedsel in de maag van de cliënt aanwezig is, kan de cliënt zich hier tijdens het onderzoek in verslikken. Bijvoorbeeld doordat hij/zij het voedsel opboert. Als het voedsel in de luchtpijp komt, kan er een luchtweginfectie of een longontsteking optreden. Dit komt vaker voor als de cliënt keelverdoving of een kalmeringsmiddel toegediend krijgt. Krachtig opboeren tijdens het onderzoek kan een beschadiging in het laatste gedeelte van de slokdarm veroorzaken. Dit heeft soms een bloeding tot gevolg. Wanneer de gastroscoop moeizaam de keel passeert of wanneer er vernauwingen in de slokdarm zijn, kan er een scheurtje in de slokdarm ontstaan.
Uitslag en nazorg
Direct na afloop bespreekt de arts zijn bevindingen met de cliënt. Uiteraard is de uitslag van eventueel weefselonderzoek dan nog niet bekend.
Wanneer de keel verdoofd is, neemt de kans op verslikken toe. Het is daarom beter pas een kwartier na afloop van het onderzoek te beginnen met eten en drinken. Na afloop kan de cliënt een rauw gevoel in de keel ervaren. Dit gevoel verdwijnt doorgaans vrij snel.
Wanneer na het onderzoek klachten optreden, kan de cliënt contact opnemen met de arts die het onderzoek heeft verricht of met de huisarts.
Voor vragen kunt u ons altijd tijdens kantooruren bellen op 0900 8099




